Algemene informatie Stichting Erfgoed Gelselaar


Het bestuur van Stichting Erfgoed Gelselaar bestaat uit:
Herman Wannink, Hermien Luttikhedde- Griemelink, Bert Geerdink en Linie Hondeveld- Voortman

voorzitter :  H.G. Wannink tel. 0545-481401
penningmeester/secretaris :  E.G. Hondeveld- Voortman. 06-53186547 elderink(at)xs4all(punt)nl
Contactpersoon voor het bespreken van de ganzen voor markten e.d. : Hermien tel: 0545-481396


De stichting is op 23-12-2005 ontstaan door een fusie van de in 1999 opgerichte Stichting Genootschap voor Gelselaar en de Ganzenveer en de in 2002 opgerichte Stichting ’t Jonkeren.

Belangrijkste doelstellingen:

  • De instandhouding van historische roerende en onroerende zaken en maatschappelijke en cultuurhistorische waarden, in het bijzonder met betrekking tot Gelselaar.
  • Het bevorderen en stimuleren van studie naar en kennis en behoud van deze waarden en de daarmee verband houdende cultuuruitingen als literatuur, poëzie en kunstexpressie.

De stichting heeft aan de Jonkerenlaan twee terreinen in eigendom, ’t Jonkeren, ruim 0,9 ha, met een reconstructie van de v.m. havezathe Bevervoorde en een ganzenweide, ruim 0,65 ha groot.  Beide terreinen zijn in 2003 aangelegd in het kader van de plattelandsvernieuwing (reconstructiepilot Neede – Borculo). De contouren van de havezathe werden in 2002 haarfijn blootgelegd na een archeologisch onderzoek door het bureau R.A.A.P. te Amsterdam.


Havezathe Bevervoorde (ook genoemd Huis Mensinck, voorheen Wissinck)

De havezathe met binnen-, buitengracht, bijgebouwen en watermolen was van ca. 1326 tot 1730 in gebruik en bewoond, eerst als belening van de bisschop van Muenster. Sedert 1531 in het bezit van jonker Sweder van Bevervoorde (tot Mensinck). Deze adellijke familie had in de middeleeuwen veel bezittingen in Twente, o.a. Diepenheim (Peckedam), Rijssen, Albergen, Weerselo, Ootmarsum, Haaksbergen en het aangrenzende Duitse Westfalen, o.a. Schoeppingen, Bentheim en Teckelenburg. De jonkeren Van Bevervoorde waren in Gelselaar eigenaar van meerdere boerderijen, zoals Beumer, Kraaijenbelt, Pellewever, Reeker, Morskeizer en Kolthof. Alle bezittingen in Gelselaar (en Noordijk) werden in 1730 verkocht. Een zeer belangrijke stempel hebben de jonkeren gezet op de ontwikkeling van Gelselaar tot het huidige krans-esdorp door het stichten van een kapel in 1440, als onderdeel van de R.K. parochie Neede, op de plek van de huidige in 1841 gebouwde N.H. waterstaatskerk.
(Een gedegen historisch onderzoek zou alsnog belangrijke informatie kunnen opleveren).


Ganzenparadijs

In en rond Gelselaar, Westerflier, Stokkum en Markelo werden in het verleden op de laaggelegen, drassige broeklanden zeer veel fokganzen gehouden om economische redenen: eieren, vlees, veren en dons. Een oud spotrijmpje luidde: ‘Borklo is ’n stad, Geestan is nog wat, Gelster is ’n gaanzegat’. Opgroeiende kinderen, vooral meisjes, trokken vrijwel dagelijks als hoedsters van hun eigen koppel ganzen naar de broeklanden om ze te laten grazen.

Gedurende voorjaar en zomer was er een levendige handel in eieren, dons(veren) en kuikens. De ganzen werden meestal twee, soms drie keer per jaar ‘geplukt’. De kleine veren en het dons werden gebruikt voor de vulling van (dek)bedden, de vijf grote penveren als schrijfgerei (ganzenveer) en voor het maken, samen met paardenhaar, van handgrepen voor ‘goastokken’ (wandelstokken). ‘Winkels’ aan de Dorpsstraat had een belangrijke handel in dons(veren). Naast de boerderij en winkel in levensmiddelen, ruilde en kocht men dons(veren), zoals 200 jaar oude winkelboeken eind 18e en begin 19e eeuw vermelden. De nog bestaande ‘verenzolder’ diende als opslagruimte. De kuikens werden verkocht als opfokdieren om te mesten voor de slacht. Jaarlijks waren er op of rond 11 november (Sint Maarten) ganzenmarkten, zoals in Deventer, Zutphen en Zwolle, later ook in Goor, waarop de gemeste ganzen werden verkocht als Sint Maartensgans voor het ‘gaanzemoal’. Het transport ging bij hoog water middels vlotten, later zompen, over water via Regge en Schipbeek. Naar de Goorse ganzenmarkt werden de grote koppels ganzen meestal gedreven (driften). De rond 1860 gestartte ganzenslachterij Moormann in Goor mestte in eigen beheer veel opfokdieren af. Markeverdeling, groeiende landbouwproductie met hogere veebezetting, aanleg dijken langs de verschillende, regelmatig overstromende beken en tenslotte de aanleg van het Twentekanaal rond de jaren 1930, betekende door de sterk verbeterde afwatering het einde van de ganzenhouderij.

Talrijke anekdotes, spreuken (bijvoorbeeld: ‘Waggelen als een vette gans’ en ‘Vrouwen en ganzen kun je altijd horen’) evenals oude gebruiken herinneren nog aan deze dieren. Voorafgaande aan huwelijken werd bij de inschrijving een feestelijk ‘verenmoal’ gehouden. Genodigden brachtten dons(veren) mee voor de vulling van het beddengoed, waarna op de ‘kiekevisite’ het beddengoed werd getoond.

Ter herinnering aan de v.m. ganzenhouderij staat in het dorp een bronzen beeld van drie ganzen, gemaakt door kunstenaar Coen Willemsen en is op ’t Jonkeren, naast de ganzenweide, ter lering en vermaak een permanent ganzenbord aangelegd. In een informatieve kleurenfolder is het Ganzenrondje Gelselaar aangegeven, een ca. 13 km lange fiets- en wandelroute door en rond het dorp. Bovendien is er jaarlijks een ganzenmarkt met de verkiezing van de beste in historische kledij gestoken ganzenhoedster, waarbij de ganzen op een diervriendelijke en attente manier met behulp van een drijfstok door het dorp gedreven dienen te worden, beoordeeld door een deskundige jury. Tijdens de markt staan kunst, cultuur en historie centraal in het ganzendorp.

De stichting is in het bezit van een fraaie aquarel van kunstschilder Willem Hamel (1860-1924), gemaakt van een Gelselaarse ganzenhoedster met acht grazende ganzen.


Waterputten 

Een waardevol erfgoed bezit Gelselaar, naast de overige (Bentheimer) waterputten, met de twee oudste, bekende Bentheimer waterputten van Nederland en het aangrenzende Westfalen, bij boerderij Stokkink (1575) en boerderij Winkels (1579).


Streekschrijvers  

Gelselaar neemt in het geschreven en gedrukte woord een bijzondere plaats in. Dit is te danken aan de schrijvende ‘meesters’ H.W. Heuvel, H.J. Krebbers en G.A. van der Lugt, die hier hebben gewoond.

H.J. Krebbers (1852-1936) is geboren en opgegroeid in Gelselaar op boerderij Geers.H.W. Heuvel (1864-1926) en G.A. van der Lugt (‘Oet Gelster’, 1879-1966) waren (hoofd)onderwijzer aan de openbare lagere school in Gelselaar. Als eerbetoon draagt deze school de naam van G.A. van der Lugt en is naar meester Krebbers in Gelselaar een straat vernoemd.
Meester Heuvel heeft eerbetoon in Borculo, zijn latere woon- en standplaats, gekregen met de naar hem vernoemde Heuvelschool en H.W. Heuvelstichting, eigenaar en beheerder van museum-boerderij ‘De Lebbenbrugge’. In zijn geboorteplaats Laren (Gld.) is een straat naar hem vernoemd. De naam van G.A. van der Lugt is eveneens verbonden aan een stichting, die regionaal (kleinschalige) historische en natuurlijke monumenten in bezit heeft en beheert.


Onderzoeken en publicaties   

Plaatsgenoot en journalist, Arend J. Heideman, heeft onderzoek verricht naar en gepubliceerd over de voormalige ganzenhouderij, o.a. in het Jaarboek Twente 1987. Daarnaast heeft hij in 1999 goed bewaard gebleven pennevruchten van meester Krebbers over zijn Gelselaarse jeugdjaren vastgelegd in het boek ‘H.J. Krebbers en Gelselaar’ en in 2004 zijn bevindingen in een exclusief uitgegeven boek met veel illustraties over het ‘bijna vergeten’ erfgoed (Bentheimer) waterputten. Ook was hij de auteur van de rijk geïllustreerde uitgave ‘Gelster 2000’, de Gelselaarse geschiedschrijving van de 20e eeuw.


Ere-bestuurslid   

Het bestuur heeft in haar eerste vergadering unaniem besloten Derk Kolkman uit Neede te benoemen tot ere-bestuurslid vanwege zijn belangrijke verdiensten voor de realisering van het project
Bevervoorde. Hij (en zijn familie) heeft als v.m. buurman en v.m. eigenaar van het terrein zich altijd zeer nauw betrokken gevoeld bij deze historische plek, vooral toen de mogelijkheid zich voordeed om vanuit de reconstructiepilot Neede-Borculo het op de cultuurhistorische projectenlijst te plaatsen.